blog.van jochen

bron: NRC Handelsblad, 2 februari 2001 – Alles klopt altijd bij Hitler – Pieter Steinz

bron: NRC Handelsblad, 2 februari 2001 – Alles klopt altijd bij Hitler – Pieter Steinz

Harry Mulisch over zijn nieuwe roman Siegfried

Alles klopt altijd bij Hitler


‘Mijn ambitie was om aan het slot van de twintigste eeuw iets definitiefs over Hitler te zeggen.’ Harry Mulisch over zijn nieuwe roman ‘Siegfried’, die vandaag verschijnt.

door Pieter Steinz

Op de lage tafel in de zitkamer ligt een stapeltje Siegfrieds, vers van de drukker. Trots wijst de auteur op de bruine stofkaft van zijn ‘zwarte idylle’. Rechtsonder zien we een hoekje van een oude kleurenfoto: een hand rust op de rug van een blond jochie in een Beiers broekje. De hand van Hitler? raadt de interviewer, die zijn huiswerk heeft gedaan. “Precies!” zegt de schrijver. ” Dat je dat in één oogopslag ziet – daarover gaat mijn boek.”

Harry Mulisch heeft nooit een geheim gemaakt van zijn fascinatie voor Adolf Hitler en het nazisme. Als kind van een joodse moeder en een Oostenrijkse collaborateur heeft hij zijn oeuvre gebouwd op de Tweede Wereldoorlog, van romans als Het stenen bruidsbed (1959) en De aanslag (1982) tot non-fictieboeken als De zaak 40/61 (1962, over het Eichmann-proces) en De toekomst van gisteren (1972). Maar op 73-jarige leeftijd gaat hij nog een stap verder: in zijn nieuwe roman voegt hij fictie aan Hitlers leven toe.

Siegfried is het verhaal van een wereldberoemde Nederlandse schrijver die geobsedeerd is door ‘het raadsel Hitler’, en die op een dag van de voormalige huisbewaarders van de Führer-villa op de Obersalzberg te horen krijgt dat Hitler een zoon had van zijn geheime vriendin Eva von Braun. Het jongetje – Siegfried genoemd naar de Germaanse held uit Wagners Ring des Nibelungen – blijkt als het zoontje van de huisbewaarders op de Berghof te zijn opgevoed; per slot van rekening moest de Führer alle Duitse vrouwen blijven toebehoren. Tegen het eind van de oorlog is de bijna zevenjarige Siggi op bevel van Hitler door zijn adoptiefvader vermoord.

“Mijn ambitie was om aan het slot van de twintigste eeuw iets definitiefs over Hitler te zeggen”, legt Mulisch uit als we aan het bureau van zijn Amsterdamse studeerkamer zijn gaan zitten. “In Siegfried wordt dat die Endlösung der Hitlerfrage genoemd. Van alle dictators is Hitler de enige die geheimzinnig is. Neem Stalin, die alleen met hem te vergelijken is als je kijkt naar het aantal mensen dat hij vermoordde. We weten wat hem dreef: hij had een marxistische theorie en die wilde hij koste wat het kost uitvoeren. Maar hij was niet de bedenker van de Goelag, zoals Hitler de architect van de vernietigingskampen was; hij richtte zich niet tegen vrouwen en kinderen; en hij had niet zo’n rare poppenkast van griezelige paladijnen om zich heen. “Hoe ik op het idee voor Siegfried kwam, weet ik niet meer precies – maar ik dacht niet door een directe actuele aanleiding, zoals de recente documentaire over het gesol met Hitlers resten of de krantenstukken waarin Jörg Haider werd aangeduid als de zoon van Hitler. De wording van een roman heeft het karakter van een droom – je herinnert je achteraf alleen flarden, de vage toedracht. In Siegfried laat ik aan de hand van mijn alter ego, Rudolf Herter, het stadium van het opkomen van ideeën zien. Het boek is behalve een blik in de afgrond ook een kijkje in de geest van de schrijver.

Siegfried ontwikkelde zich zoals ik in de roman beschrijf, uit een gedachte-experiment. De beste manier om een raadselachtig iemand te doorgronden, is hem in een gefingeerde, extreme situatie te plaatsen en te kijken hoe hij zich vervolgens gedraagt. Hitler is in duizenden boeken beschreven – ik heb hier zelf 1 meter 75 staan – maar hij is er alleen maar onbegrijpelijker door geworden. En dus zegt Herter in een literair interview met een programmamaakster: ‘Misschien is fictie het net waarin hij gevangen kan worden’.”

Paradoxitis

Mulisch haast zich te zeggen dat de hoofdpersoon van zijn roman in een ironische positie verkeert: “Herter kondigt aan dat hij Hitler in een hypothetische situatie wil plaatsen om hem te begrijpen. Vervolgens vertelt het echtpaar Falk hem over Hitlers zoon, en moet hij concluderen dat de werkelijkheid altijd gekker is dan de verbeelding. Maar de lezer weet natuurlijk dat het hele verhaal fictie is en dat ik in Siegfried precies doet wat Herter zich heeft voorgenomen.”

De botsende vertelniveaus in Siegfried, die overigens een spannend en geestig verhaal niet in de weg staan, zijn een voorbeeld van wat je Mulisch’ paradoxitis zou kunnen noemen: zijn fanatieke voorliefde voor (schijnbare) tegenstellingen en ongerijmdheden. Net als Mulisch’ eerdere romans wemelt Siegfried van de paradoxen, met als hoogtepunt Herters uiteindelijke conclusie dat Hitler de onbegrijpelijkheid in persoon was, ‘de ontkenning van alles wat bestaat en gedacht kan worden’ – de exacte tegenhanger van de God van de christenen. ‘Het laatste woord over Hitler is niets‘, zegt Herter, en Mulisch voegt daaraan toe: “Als je zegt ‘Hitler is niets’, dan kun je Hitler nooit begrijpen, want dan zou je dus niets begrijpen. Maar niets kan kennelijk toch iets zijn, want Hitler heeft geleefd – je kon hem bijvoorbeeld aanraken. En daarin ligt de paradox.”

Je kunt het ook gegoochel met woorden noemen.

“Ja, het is een taalspel, maar als je dat zonder meer verwerpt, dan is dat een minachting van de taal. Herter gaat trouwens een stap verder. Hij beschrijft Hitler als een vacuüm dat zich volzoog met andere mensen, een zwart gat, of liever ‘een singulariteit in mensengedaante’…”

…en dan zegt hij trots: ‘Volgens mij is nog nooit iemand op dat idee gekomen.’ Dat verbaast me niets.

“Herter is een uitzinnig man, met uitzinnige theorieën. Ik zou dit soort dingen in een artikel in NRC Handelsblad nooit beweren; maar ik schrijf een roman, en dan heb ik geen remmingen. Ik laat me door niets weerhouden.”

De filosofieën over het wezen van Hitler raken verder nog aan Heidegger en Schopenhauer, aan het ontologisch godsbewijs van Kant en het nihilisme van Nietzsche. Bent u niet bang om de lezer af te schrikken?

“Lezers kunnen me niets schelen. Een roman is geen communicatie met het publiek, maar met die roman, en dus met mezelf. Als ik non-fictie schrijf, ligt dat anders. Dan leg ik dingen uit, en moet alles behalve opwindend ook waar zijn.”

Voelt u geen verantwoordelijkheid ten opzichte van de achthonderdduizend mensen die u vorig jaar enthousiast hebt gemaakt met het boekenweekgeschenk ‘Het theater, de brief en de waarheid’?

“Het is toch niet verboden om filosofisch gecompliceerde passages in een boek te stoppen? Als ik de krant lees, begrijp ik het economiekatern of de sportpagina’s ook maar half. Wat de AEX is, of buitenspel, Joost mag het weten, maar dat is voor de redactie terecht geen reden om het elke keer te gaan uitleggen. Ik zal mijn abonnement niet opzeggen, en blader door naar wat ik wel begrijp, het weerbericht bijvoorbeeld.”

Putsch

‘Op een sinistere manier klopte altijd alles bij Hitler’, denkt Herter wanneer hij zich realiseert dat Hitlers mislukte putsch in München, het begin van zijn weg naar de macht, op dezelfde dag (9 november) plaatshad als 66 jaar later (‘bijkans het Getal van het Beest’) de Val van de Muur. Als Herter ook tal van verbanden ontdekt tussen het ziekbed van de nihilist Nietzsche en de geboorte van het vleesgeworden Niets, Hitler, weigert hij nog in toeval te geloven. Geldt dat ook voor zijn geestelijke vader, Harry Mulisch? Mulisch: “Aan de ene kant weet je dat je onder het toeval niet uit kunt. Geen worp met de dobbelsteen heeft iets met de vorige te maken; daarom zijn alle systemen waarmee gokkers het Holland Casino hier tegenover binnengaan, zinloos. Maar wanneer houdt toeval op toeval te zijn? Als je tien keer achter elkaar een zes gooit? Twintig keer? Of als je ziet dat de werkelijkheid gaat meedoen wanneer een historische figuur de maat overschrijdt?”

U gaat te snel.

“Sorry, mijn oude fout. Ik geef voorbeelden. Toen Jezus stierf, scheurde het voorhangsel van de tempel in tweeën; bij Beethovens dood was er een groot noodweer. De werkelijkheid voegt zich naar grote geesten. Dat is geen logisch-positivistisch correcte gedachte, maar Herter hangt hem aan. Ander voorbeeld: Fidel Castro bevrijdt Cuba en houdt zijn eerste rede in Havana; een witte duif daalt op zijn schouder neer en blijft daar een uur zitten…”

Misschien was het een gedresseerde duif?

“Dan hadden de revolutionairen wel voor een heldhaftiger vogel gekozen. Nee, je kunt sceptisch zijn, maar ik weet niet wat ik met dit soort toevalligheden aan moet buiten een roman. In een roman bestaat gelukkig geen toeval, want de schrijver is God. Daarbuiten moet je God introduceren, en daar heb ik een probleem mee.”

In ‘Siegfried’ gaat Herter dood op het moment dat hij al het toeval heeft weggeredeneerd en Hitler heeft doorgrond.

“Al zijn redeneren is zinloos, ik laat hem zelfs sterven voordat hij het verhaal van Hitlers zoon aan de wereld heeft kunnen vertellen. Zo is de verhouding tussen God en zijn schepselen. Herter is voor mij gestorven. Als ik mijn fascinatie voor Hitler niet had verwerkt tot een roman, had dat misschien mij het leven gekost.”

Herter lijkt zich met Hitler te identificeren. Waarom presenteert u hem – met zijn Oostenrijkse naam, zijn jongere vriendin, zijn kleine zoontje – als een pendant van de Führer?

“Ik houd van symmetrie. Maar misschien wil ik ook wel duidelijk maken dat Herter van meet af aan iets van Hitler gehad moet hebben om zich zó voor hem te interesseren – ook al haat hij hem meer dan iemand anders. Het is zoals in het vers van Goethe, ik citeer uit het hoofd: ‘Wr’ nicht das Auge sonnenhaft,/ die Sonne könnt’ es nie erblicken’.

Vindt u dat niet beangstigend? Per slot van rekening is Herter ook uw alter ego.

“Ik kan ermee leven, ik schrijf er een boek over. Het zou overdreven zijn om te zeggen dat ik in de afgelopen twee jaar voortdurend heb gedacht: ik ben bezig met iets waarmee je moet oppassen.”

Zelfontvoering

Mulisch bevestigt dat Rudolf Herter, de schrijver die zichzelf karakteriseert als een alchimist, nog veel meer Harry Mulisch is dan Max Delius in De ontdekking van de hemel of Victor Werker in De procedure. Maar hij is niet bang dat de lezers het personage zullen verwarren met de literator, zoals vorig jaar gebeurde naar aanleiding van Het theater, de brief en de waarheid. Freek de Jonge beschuldigde hem toen van rehabilitatie van de acteur Jules Croiset, door wiens geruchtmakende zelfontvoering het boekenweekgeschenk geïnspireerd was. Mulisch: “De kritiek op Het theater was een kwestie van onartistiek denken; maar we moeten De Jonge niet te hard vallen, hij had zelf dreigbrieven van Croiset gehad. En wat Siegfried betreft: zoals ik de affaire-Croiset kon nemen en bewerken, zo kan ik dat nu met mijn eigen leven doen.”

In de kunst gaat het altijd om het ‘hoe’, nooit om het ‘wat’, beweert Herter. Is dat ook uw mening?

“Vanzelfsprekend. Je kunt van het verhaal over de zoon van Hitler gemakkelijk een sentimentele draak maken. In de kunst is de vorm de werkelijke inhoud.”

Maar hoe is dat te rijmen met de vaak geciteerde uitspraak dat u zichzelf niet beschouwt als een zinnenschrijver maar als een oeuvrebouwer?

“Voor mij kenmerkt een goede stijl zich door transparantie; je moet als het ware vergeten dat je aan het lezen bent. Als je Nabokov of Reve leest, word je voortdurend afgeleid door de schoonheid van de zinnen. Mij vallen heus wel taalgrapjes in, of mooie metaforen; maar die gebruik ik liever niet. De taal mag nooit tussen de lezer en de werkelijkheid gaan staan.”

Herter constateert tevreden dat hij op zijn oude dag steeds aardiger gevonden wordt. Ook u roept minder weerstand op, en op middelbare scholen bent u zelfs de enige van uw generatie die nog wordt gelezen. Bent u eindelijk door Nederland gerespecteerd?

“Veel concurrentie is er niet: Hermans is dood, Wolkers schrijft geen romans meer, en Reve dementeert – tenminste dat zeggen ze. Daarbij denk ik natuurlijk dat ik betere boeken heb geschreven. Ik heb me overigens nooit onbegrepen gevoeld, ook niet ten tijde van mijn Cuba-crisis. Er zijn altijd verstokte Mulisch-haters geweest, alleen wordt het groepje steeds kleiner.”

In de afgelopen kwarteeuw heeft u acht romans geschreven; tussen 1959 en 1975 maar één. Bent u toch meer romancier dan denker of verslaggever?

“Bijna al mijn grote non-fictieboeken zijn geschreven tijdens de oorlog – de oorlog tussen de Vietnamese boeren en de Verenigde Staten, en die tussen de provo’s en de autoriteiten. In de oorlog schrijft men geen romans. Toen de oorlog was gewonnen, werd het weer tijd voor verhaaltjes. En ja, de roman is mijn element gebleken, al ben ik het type dat alles wil proberen: eerder een Goethe dan een Kafka of Dostojevski.”

Herter vergelijkt zichzelf met de bladeren die van de boom vallen. Voelt u zich ook in de herfst van uw leven?

“De herfst van je leven zit alleen in je lichaam, niet in je hoofd. Daar ben je altijd achttien. Net als Herter kan ik plotseling kinderlijk verbaasd zijn over het feit dat er geen naam is voor de tweede teen aan je voet, je ‘wijsteen’. Aristoteles zei al: thaumazein, je verwonderen, is het begin van alle filosofie. Een schrijver moet de naïviteit hebben van een kind. Blasé moet je nooit worden.”

Harry Mulisch: ‘Siegfried’. Uitg. De Bezige Bij, 213 blz. Fl 39,90 (geb. ).

Vind hier iets van