Er is geen natuurverschijnsel in de wereld dat de oneerlijkheid van het bestaan beter symboliseert dan de regenboog. Ergens staat iemand in de zon. Ergens anders staat iemand in de regen. Vanaf een afstandje kijkt men ernaar en zegt: ‘Oh, wat mooi!’

Er is geen natuurverschijnsel in de wereld dat de oneerlijkheid van het bestaan beter symboliseert dan de regenboog. Ergens staat iemand in de zon. Ergens anders staat iemand in de regen. Vanaf een afstandje kijkt men ernaar en zegt: ‘Oh, wat mooi!’

Wanneer ik voor de derde keer de linkerpagina in mijn boek niet geregistreerd heb maar wel al aan de rechter begin, leg ik me erbij neer.
Hij werkt zestig uur in de week en zal dat blijven doen terwijl hij weet dat, hoe hard hij ook werkt, hij nooit genoeg zal verdienen om achterover te kunnen leunen.
Alleen mijn rode, natte neus houdt me nog wakker. Zou ik dan toch een hond zijn? Ik doe mijn ondergoed uit, probeer te blaffen, maar houd mijn sokken aan.
Je moet weten dat ik mijn borden bij de kringloop heb verzameld en ik daar iedere keer slechts één bord koop.
Ik moet soms met de nagels van mijn ene hand voelen onder die van de andere. Precies daar waar de wereld begint en de huid van mijn vingers ophoudt.
Terwijl ik eigenlijk moet werken en belangrijke dingen te doen heb, eet ik een beetje van mijn eigen vlees.
Hier groeien de lekkerste bramen. Ze zijn niet van mij.
Bovenaan het viaduct komt hij als eerste de bocht door. Zijn vrouw volgt hem op enkele meters afstand. Ze beginnen aan de afdaling richting het dorp. Het is niet stijl maar de weg is lang